Archeologen brengen schuilkerk van Oudorp aan het licht

In een bosje, aan de noordkant van het dorp Oudorp, op enige afstand van de Herenweg, stond vanaf 1658 een zogenoemde schuilkerk. Het eerste exemplaar werd na tachtig jaar vervangen en na de bouw van de tegenwoordige Sint Laurentiuskerk, in 1880, werd ook de tweede schuilkerk afgebroken. Over hoe dat oude godshuis er eigenlijk uitzag, vertelt de overlevering merkwaardig genoeg helemaal niets. In april van dit jaar groeven de gemeentelijke archeologen enkele resten op.

Met de overgang van Holland naar de zijde van Willem van Oranje in 1572 begon een periode van bijna drie eeuwen onderdrukking van de rooms katholieken. Pastoors hielden in die tijd de erediensten in zogenoemde schuilkerken, waarvan er ook één in Oudorp stond. In een proefsleuf, achterin de tuin van de voormalige pastorie, werden dit voorjaar enkele resten gevonden. Eerst een stukje geschiedenis:

Historie

In het midden van de zeventiende eeuw gingen de Oudorpers nog ter kerke in een schuilkerk bij boerderij De Jagersplaats aan de Huigendijk. Toen deze kerk in 1658 werd gesloten door de autoriteiten, stelde dokter Jan van Dijk een huis met schuur in een bosje bij Oudorp beschikbaar aan toenmalig pastoor Hendrik Benschop.

En zo kwam de statie Oudorp tot stand, met een grote parochie die zich uitstrekte tot en met de Schermer. Een kleine tachtig jaar later, verving pastoor J.B. Brikkenaar de oude schuur door een nieuwe schuilkerk, die op 14 mei 1737 werd ingewijd. Dit gebouw zou tot 1880 in gebruik blijven.

Aan de kerk was destijds ook het woonhuis van de pastoor verbonden. In 1785 werd de welgestelde C. Witzenburg aangesteld als pastoor. Deze stelde uit eigen zak de enorme geldsom van 20.000 gulden ter beschikking voor herstel van de kerk, inclusief het aanbrengen van schilderingen die de vijftien geheimen van de rozenkrans moesten verbeelden.

In het midden van de negentiende eeuw liet vervolgens pastoor J. Houbraken op het dak van de kerk een torentje bouwen met een klok. Inmiddels was de Rooms-Katholieke gemeente bevrijd van de onderdrukking door de gereformeerden. Dit dankzij de Grondwet van Thorbecke uit 1848, die een einde maakte aan de discriminatie van de katholieken.

Klokgelui

De klok had een grote symbolische waarde, want nu konden gelovigen uit de wijde omgeving voor het eerst weer met klokgelui worden opgeroepen voor de katholieke erediensten. Houbrakens opvolger, pastoor J.J.Eulenbach, nam het initiatief om een nieuwe kerk te bouwen ter vervanging van de oude schuilkerk. De nieuwe kerk zou een prominente plaats krijgen aan de Herenweg. Het Rooms-Katholieke kerkhof was hier al in 1862 aangelegd. In de eeuwen daarvoor, tijdens de onderdrukking, was namelijk ook een eigen begraafplaats verboden.

De eerste steen van de tegenwoordige kerk, werd gelegd op 1 juli 1879. Het werd een forse neogotische kerk, ontworpen door de befaamde architect E.J. Margry uit Rotterdam. Een jaar later werd de kerk al ingewijd. Aangrenzend kwam er een grote nieuwe pastorie. Het terrein achter de pastorie, waar de schuilkerk had gestaan, werd ingericht als tuin in een Engelse landschapstijl.

Archeologisch onderzoek

Aan de hand van de kaart van 1821 kunnen we zien dat de schuilkerk in de tuin achter de pastorie moet hebben gestaan. Ter plekke is in het grasveld nog wat reliëf te zien. Het feit dat het maaiveld bij het woonhuis een paar decimeter hoger lijkt te liggen, deed al vermoeden dat eventuele resten van de schuilkerk, voor zover nog aanwezig, zich wel eens heel ondiep onder het grasveld zouden kunnen bevinden.

Uitsnede uit de kadastrale minuut van 1821, met bij kavel A130 de schuilkerk (zwart) en patoorwoning (rose). Vanaf de Herenweg liep een oprit erheen, met een halfrond draaipunt voor rijtuigen bij de T-kruising met een laan vanaf de Munnikenweg.
Plattegrond van het archeologisch onderzoek: A poeren onder de noordwesthoek van de schuilkerk (1737), B puinkuilen aan de zuidkant (afbraak 1880), C 17de-eeuwse houten goot.
Hoogtenkaart van het grasveld, per decimeter oplopend van 0,0 NAP (donkergroen) naar 0,30 m boven NAP (lichtgroen). Behalve de archeologische sporen zijn ook de contouren van 1821 ingetekend (zwart: schuilkerk, rose: woonhuis) en de monumentale beuk (D).

Poeren

Op verzoek van de locatieraad van de Laurentiusparochie Oudorp/Sint.Pancras, die het beheer van de grond en de gebouwen verzorgt, hebben de gemeentelijke archeologen tussen 16 en 20 april een proefsleuf gegraven langs de westrand van het grasveld. Hier werden inderdaad enkele resten gevonden van de verdwenen schuilkerk. Een deel van de sporen bleek overigens wel heel ondiep te liggen, namelijk meteen onder de graszode, slechts 25 cm onder het oppervlak.

Om de tuin niet teveel te beschadigen, bleef de werkput beperkt tot een noord-zuid gerichte sleuf van 2 meter breed langs de rand van het grasveld. De resten zijn met een graafmachine en de schep vrij gelegd. Zo zijn ze wel gedocumenteerd maar er is niets uit de grond verwijderd. De resten zijn dus in de bodem bewaard gebleven als monumenten van een bijzonder stuk historie.

Bij de noordwesthoek van de schuilkerk zijn twee ‘poeren’ gevonden, gemaakt van los gestapelde bakstenen. Een poer is een ondersteuningsconstructie en deze poeren moeten gediend hebben als onderlegger voor houtbouw op liggende balken. Ze zijn ongeveer 50 bij 50 cm, met een tussenafstand van bijna 2 meter. De meest westelijke poer droeg de hoek van het gebouw en ligt iets dieper (de onderkant ligt op 0,62 m onder NAP). Van de andere wand-poer, met de onderkant op 0,30 m onder NAP, is nog maar één steenlaag bewaard gebleven. In de sleuf zijn ten zuiden van deze twee poeren op dezelfde (on)diepte nog twee kleine poertjes aangetroffen. Deze bestaan elk uit slechts twee bakstenen naast elkaar. Met een formaat van 20 bij 20 cm dienden ze ongetwijfeld als steun voor vloerbalken in het gebouw. Het maaiveld ter plekke ligt overigens net boven NAP.

De dichte begroeiing in de border van de tuin maakte verder onderzoek naar de westkant van de schuilkerk onmogelijk.

Lijkenhuisje

In de zuidhelft van de sleuf kwamen we terecht op een grote plek met fijn puingruis, voornamelijk bestaand uit brokjes mortel vermengd met zand. Een paar decimeter dieper kwam onder de puinlaag een aantal onregelmatige vierkante kuilen aan het licht. Aan de zuidkant vormen twee kuilen een rechte begrenzing, waarschijnlijk van de zuidwand van het gebouw. In de kuilen werden enkele losse bakstenen gevonden van dezelfde soort als de opgegraven poeren.

Duidelijk is geworden dat voor de schuilkerk van 1737 gebruik is gemaakt van overwegend donkergele stenen met oranje vlekken aan de buitenzijde. De steenmaat was 18-19 bij 8,5 bij 4 cm en soms iets kleiner. Gezien de kleur en textuur zouden de stenen uit Friesland afkomstig kunnen zijn. Bij het puin lagen ook fragmenten van grijze dakleien en van rode en grijze Oudhollandse golfpannen. Nu staat in de hoek van het grasveld, pal naast de begraafplaats het zogenoemde lijkenhuisje, dat gebruikt wordt voor de opslag van twee lijkbaren en allerlei tuingereedschap. Bij nadere beschouwing blijkt dit lijkenhuisje van de genoemde donkergele baksteen te zijn gemaakt! De vele mortelresten in de puinsporen zijn blijkbaar het resultaat van het afbikken van de bakstenen om ze hiervoor te kunnen hergebruiken.

Bij de noordwesthoek van de schuilkerk werd een grote puinkuil gevonden. Hierin werden ook enkele vondsten aangetroffen van huisraad die hier kennelijk in 1880 vanuit de pastorie was gedumpt. Er zit servies bij van goede kwaliteit, waaronder scherven van een deftig zwart rouwservies van Engels ‘black basalt’ aardewerk. Verder is het bovenstuk gevonden van een klein wijwaterbakje, gemaakt door de Maastrichtse aardewerkfabriek van Regout.

Houten goot

De plek van de puinstort was niet willekeurig want een halve meter eronder kwam een houten goot te voorschijn voor waterafvoer naar de sloot langs de westkant van het terrein. Dit water heet overigens de Mare en is dus een naamgenoot van het meer in Alkmaar-Noord. De sloot vormde vanouds de natuurlijke afwatering langs de westrand van de zandrug van Oudorp. De later gedempte goot was blijkbaar eeuwen later nog als een verzakking in het terrein aanwezig en is vervolgens aangevuld met puin.

Ongerept

De houten goot is overigens veel ouder dan de schuilkerk van 1737. Dat kunnen we zien omdat de goot wordt afgedekt door een stevige laag bruine zandgrond van bijna een meter dik. Op deze bruine zandgrond is later de schuilkerk gebouwd. Uit de goot kwamen bij de opgraving ook wat scherven naar boven van aardewerk uit het midden van de zeventiende eeuw. De goot hoorde vermoedelijk bij het huis van dokter Van Dijk en kan zijn gedempt voor de bouw van de eerste schuilkerk ter plekke. Het is daarom goed mogelijk dat zich onder die dikke zandlaag, kennelijk opgebracht bij de bouw van de tweede kerk in 1737, nog meer resten bevinden van de oudste fase. Maar omdat we alle archeologische resten bij dit graafwerk ongerept in de bodem willen achterlaten, zullen de aanwezige overblijfselen van deze intrigerende oudste fase voorlopig verscholen blijven onder die achttiende-eeuwse zandlaag.

Peter Bitter, vakgroep erfgoed gemeente Alkmaar

Met dank aan Piet en Corrie Tamis voor hun gastvrijheid in de pauzes.

Bronnen:

  1. Voets, Springlevend Oudorp. Het verhaal van een van de oudste parochies van Holland, Oudorp 1980.

http://rijksmonumenten.nl/monument/524948/st-laurentiuskerk/oudorp/

Bron en foto’s Erfgoed Alkmaar